Belgische Herder

 

FCI Standaard Nr: 15

Rasgroep 1

Rasbeschrijving:

 

De Belgische Herder is een waakzame en actieve hond, bruisend van vitaliteit en altijd bereid om tot actie over te gaan. Aan zijn aangeboren geschiktheid als bewaker van de kudden paart hij de kostbare goede eigenschappen van de allerbeste waakhond voor huis en erf. Hij is, zonder de minste aarzeling, de harnekkige en vurige verdediger van zijn meester. Hij verenigt in zich alle vereiste kwaliteiten om een herders-, waak-, verdedigings-, en diensthond te zijn. Zijn levendig en alert temperatment en zijn zelfverzekerd karakter, zonder ook maar enige vrees of agressiviteit, moeten blijken uit de houding van zijn licaam en de fiere en opmerkzame uitdrukking van zijn fonkelende ogen. Tijdens het keuren zal men rekening houden met een 'rustig'en 'onverschrokken' karakter.

Algemeen Voorkomen: De Belgische Herder is een middellijnige hond, met harmonische verhoudingen, ide elegantie paart aan kracht. Hij is middelgroog, droog en sterk bespierd, inschrijfvaar in een vierkant,rustiek ,gewend aan het openluchtleven en gebouwd om te weerstaan aan de zo frequente weersveranderingen van het Belgische klimaat. Door de harmonie van zijn bouw en zijn fier gedragen hoofd moet de Belgische Herder de indruk geven van sierlijke kracht, hetgeen het erfdeel is geworden van de geselecteerde vertegenwoordigers van het werkhondenras. De Belgische Herder zal in stand in zijn natuurlijke houding gekeurd woden, zonder fysiek contact met de voorbrenger.

Belangrijke verhoudingen: De Belgische Herdershond is inschrijfbaar in een vierkant, De borstdiepte komt tot aan de ellebooghoogte. De snuitlengte is gelijk aan of iets meer dan de helft van de hoofdlengte.

Hoofd: Hoog gedragen, lang zonder overdrijving, rechtlijnig, goed gebeiteld en droog. De schedel en de snuit zijn ongeveer even lang, met ten hoogste een klein verschil ten voordele van de snuitlengte, wat geheel de indruk geeft van een volmaakte afwerking.

Schedelgedeelte: Middelmatig breed, in verhouding tot de lengte van het hoofd, het voorhoofd eerder afgeplat dan rond, de voorhoofdsgroef weinig afgetekend, van opzij gezien evenwijdig aan de denkbeeldige lijn die de neusrug verlengt, achterhoofdskam weinig ontwikkeld, wenkbrauw- en jukbeenbogen niet uitstekend.

Stop: Matig

Neus: Zwart

Snuit: middelmatig lang en goed gebeiteld onder de ogen, geleidelijk naar de neus toe versmallend, in de vorm van een langwerpige wig, neusrug recht en evenwijdig aan de verlengde bovenlijn van het voorhoofd, goed gespleten bek, wat betekent dat bij geopende bek, met de kaken wijd uit elkaar, de mondhoeken sterk naar achteren zijn getrokken.

Lippen: Dun, goed aangeloten en sterk gepigmenteerd.

Kaken/gebit: sterke en witte tanden, regelmatig en stevig ingeplant in goed ontwikkelde kaakbeenderen. 'Schaargebit', het 'tanggebit', waaraan de voorkeur wordt gegeven door schaapherders en veedrijvers, wordt getolereerd. Volledig gebit, beantwoordend aan de tandformule, het ontbreken van twee premolaren (2 P1) wordt geduld en de molaren 3 (M3) worden niet in aanmerking genomen.

Wangen: Droog en  Droog en goed roog en goed valk, maar wel gespierd.

Ogen: Middelmatig groot, noch uitpuilend, noch diepliggend, licht amandelvormig, schuin, bruinachtig, liefst donker, oogranden zwart, de blik is direct, levendig, intelligent en vragend.

Oren: Eerder klein, hoog aangezet, duidelijk driehoekig uitzien, oorschelpen goed afgerond, de uiteinden puntig, strak, rechtopstaand en verticaal gedragen wanneer de hond aandachtig is.

Hals: Goed uitkomend, iets lang, tamelijk opgericht, goed gespierd, naar de schouders toe geleidelijk breder wordend en zonder keelwammen, de nek licht gewelfd.

Romp: Krachtig zonder plompheid, de lengte, vanaf het boegpunt tot aan het zitbeenpunt, is ongeveer gelijk aan de schothoogte.

Bovenbelijning: De belijning van de rug en de lendenen verloopt recht.

Schoft: Afgetekend.

Rug: Vast, kort en goed gespierd.

Lendenen: Stevig, kort, voldoende breed, goed gespierd.

Kruis: Goed gespierd, slechts zeer licht hellend, voldoende breed, maar zonder overdrijving.

Borst: Weinig breed, maar goed diep, bovenzijde van ribben gewelfd, voorborst van voren gezien weinig breed, maar ook niet smal

Onderbelijning: Begint onderaan de borst en stijgt licht in een harmonische curve naar de buik toe, die noch afhangend, noch windhondachtig mag zijn, maar licht opgetrokken en matig ontwikkeld.

Staart: Goed ingeplant, met krachtige aanzet, middellang, minstens tot aan de sprong doch bij voorkeur verder reikend, in rust hangend gedragen, het uiteinde ter hoogte van de sprongen licht naar achteren gebogen, in actie meer opgeheven, doch niet hoger dan horizontaal gedragen, met de buiging naar de staartpunt toe meer uitgesproken, doch zonder ooit een haak of een afbuiging te vormen.

Voorste Ledematen:
Totaalbeeld: Beendergestel stevig, maar niet zwaar, spierstelsel droog en sterk, de voorbenen zijn van alle zijden gezien loodrecht en van voren gezien volkomen parallel.

 


Schouders: Het schouderblad is lang en schuin, goed aanliggend, met het opperarmbeen een voldoende hoek vormend, die in het ideale geval 100-115° bedraagt.

Opperarm: Lang en voldoende schuin.

Elleboog: Vast, noch afstaand, noch aangedrukt

Onderarm: Lang en recht

Pols: Zeer stevig en effen

Voormiddenvoeten: Sterk en kort zoveel mogelijk loodrecht op de grond of slechts zeer weinig naar voren hellend.

Voorvoeten: Rond, kattenvoeten, tenen gebogen en goed gesloten, voetzolen dik en elastisch, nagels donker en dik.

Achterste ledematen:
Totaalbeeld: Krachtig, maar niet zwaar; van opzij is de stand van de achterste ledematen loodrecht en gezien van achteren volkomen parallel.

Dij: Gemiddels lang, breed en sterk gespierd.

Knie: Bevindt zich ongeveer loodrecht onder de heup; kniehoeking normaal.

Onderschenkel: Gemiddeld lang, breed en gespierd.

Sprong: Laag bij de grond, breed en gespierd; matig gehoekt.

Achtermiddenvoeten: Stevig en kort; wolfsklauwen niet gewenst.

Achtervoeten: Mogen licht ovaal zijn; tenen gebogen en goed gesloten; voetzolen dik en elastisch; nagels donker en dik.

Gangwerk: De beweging is bij alle gangvormen levendig en vrij; de Belgische Herder is een goede galopeur, maar de gewone gangen zijn de stap en vooral de draf; de ledematen bewegen evenwijdig aan het mediaanvlak van het lichaam (recht gaand). Bij hoge snelheid komen de voeten dichter bij het mediaanvlak; bij het draven is de tredwijdte gemiddeld, de beweging regelmatig en vlot, met een goede stuwing van de achterste ledematen, waarbij de bovenbelijning goed strak blijft en zonder dat de voorbenen te hoog worden opgeheven. De Belgische Herder is voortdurend in beweging en lijkt onvermoeibaar; zijn gang is snel, elastisch en levendig. Hij is in staat om in volle snelheid plots van richting te veranderen (is 'wendbaar'); door zijn uitbundig temperament en zijn drang om te waken en te beschermen, heeft hij een uitgesproken neiging om in cirkels te bewegen.

Huid: Elastisch, maar over het hele lichaam goed en strak; randen van lippen en oogleden sterk gepigmenteerd.

 

Vacht en Variëteiten:
Daar de beharing bij de Belgische herdershonden verschilt in lengte, aanblik en kleur, werd dit als criterium gekozen om een onderscheid te maken tussen de vier rasvariëteiten: de Groenendaeler, de Tervuerense herder, de Mechelaar of Mechelse herder en Laekense herder.
Deze vier variëteiten worden afzonderlijk gekeurd en iedere variëteit afzonderlijk kan een voorstel krijgen voor een C.A.C, een C.A.C.I.B. of reserves.

Vachtsoorten: Bij alle variëteiten moet de beharing altijd dicht zijn, goed aanliggend, van een goede textuur en samen met de wollige ondervacht een uitstekende beschutting vormen.

LANGHAAR: Het haar kort op het hoofd, aan de buitenkant van de oren en het onderste van de ledematen, behalve aan de achterzijde van de onderarm, die van aan de elleboog tot aan de pols bedekt is met lange haren, die 'franjes' worden genoemd. Het haar is lang en vlak aanliggend over de rest van het lichaam en langer en overvloedig rond de hals en op de voorborst, waar het een 'halskraag' en een 'borstveer' of 'bef' vormt. De opening van de gehoorgang is beschermd door dichte haren. Vanaf de ooraanzet zijn de haren opstaand en vormen een omlijsting van het hoofd. De achterzijde van de dijen is bekleed met zeer lang en overvloedig haar, dat de 'broek' vormt. De staart is bedekt met lang en overvloedig haar dat een 'veer' of 'pluim ' vormt.
De Groenendaeler en de Tervuerense zijn de langharigen.

KORTHAAR: Het haar zeer kort op het hoofd, aan de buitenkant van de oren en het onderste van de ledematen. Het is kort op de rest van het lichaam en voller aan de staart en rond de hals, waar het een halskraag vormt, die begint aan de ooraanzet en dooraanzet en doorloopt tot de keel. Bovendien is de achterzijde van de dijen met langere haren bevederd. De staart lijkt op een korenaar maar vormt geen staartveer.
De Mechelaar is de kortharige.

RUWHAAR: Hetgeen de ruwharige vooral kenmerkt is de ruwheid en de droogheid van het haar, dat bovendien krassend is en warrelig. De haarlengte is ongeveer 6 cm en over het hele lichaam gelijk, maar wel korter op de neusrug, het voorhoofd en de ledematen. Noch de haren rond de ogen, noch de haren die de voorsnuit bedekken mogen zo uitgegroeid zijn dat ze de vorm van het hoofd verbergen. De snuitgarnituur nochtans is verplicht. De staart mag geen veer vormen.
De Laekense herder is de ruwharige.

 

Vachtkleuren:
Masker: Bij de Tervuerense en de Mechelse herders moet het masker zeer goed geprononceerd zijn en de neiging hebben de boven- en de onderlippen, de mondhoeken en de oogleden te omvatten in één enkele zwarte zone. Voor het masker wordt een strikt minimum van acht zichtbare pigmentatiepunten bepaald: de beide oren, de beide bovenste oogleden en de beide boven- en onderlippen, die zwart moeten zijn.

Zwart-gevlamd (charbonné): Bij de Tervuerense en de Mechelse herders betekent zwart-gevlamd dat er haren zijn met zwarte uiteinden, waardoor de grondkleur wordt beschaduwd. Dit zwart is in ieder geval 'gevlamd' en mag zich noch als grote platen, noch als echte strepen (stroming) vertonen. Bij de Laekense herder komt het zwart-gevlamd onopvallender tot uiting.

Groenendaeler: Uitsluitend eenkleurig zwart.

Tervuerense herder: Uitsluitend zwart-gevlamd vaalros (fauve-charbonné) en zwart-gevlamd grijs (gris-charbonné), met zwart masker; de zwart-gevlamde vaalrosse kleur blijft nochtans de voorkeur hebben. Het vaalros (fauve) moet warm zijn, noch licht, noch uitgewassen. Een hond wiens vachtkleur anders is dan zwart-gevlamd vaalros of niet de gewenst intensiteit vertoont, kan niet beschouwd worden als een elitehond.

Mechelaar: Uitsluitend zwart-gevlamd vaalros (fauve-charbonné), met zwart masker.

Laekense herder: Uitsluitend vaalros (fauve), met sporen van zwart-gevlamd (charbonné), voornamelijk op de voorsnuit en de staart.

 

Alle variëteiten:
Een weinig wit op de voorborst en de tenen wordt geduld.

 

Grootte, gewicht en maten
Schofthoogte: De gewenste hoogte is gemiddeld
- 62 cm voor de reuen,
- 58 cm voor de teven.Grenzen: naar beneden 2 cm, naar boven 4 cm.

Gewicht:
- reuen ongeveer 25 - 30 kg,
- teven ongeveer 20 - 25 kg.

Lichaamsmaten:
Normale gemiddelde maten bij een Belgische Herder reu die een schofthoogte heeft van 62 cm:
- Lichaamslengte (vanaf het boogpunt tot aan het zitbeen): 62 cm.
- Hoofdlengte: 25 cm.
- Snuitlengte: 12,5 à 13 cm.

Fouten: Elke afwijking van het bovengenoemde moet als een fout beschouwd worden, die bestraft wordt naargelang de ernst ervan.